Menu

Het einde van het Volkshuis van Victor Horta

Victor Horta

Aan het Emile Vanderveldeplein in Brussel is het vruchteloos zoeken naar het Volkshuis, een kathedraal in art nouveau die architect Victor Horta eind 19e eeuw bouwde voor de piepjonge socialistische partij. Enkel de naam van het plein, genoemd naar de socialistische voorzitter Emile Vandervelde, verraadt dat hier geschiedenis geschreven werd. Waarom werd het Volkshuis afgebroken en waar vinden we er nog sporen van terug?

Café De Zwaan

Het einde van de 19e eeuw werd gemarkeerd door de opkomst van het socialisme. In café ‘De Zwaan’ op de Grote Markt in Brussel werd in 1885 de Belgische Werkliedenpartij boven de doopvont gehouden. De partij bekommerde zich over het lot van de arbeiders, geen overbodige luxe in die tijd. Coöperatieve maatschappijen sloten zich al snel bij de partij aan. Daar konden arbeiders goedkoper brood, vlees, kledij en medicijnen kopen in zogenaamde volkshuizen.

De Belgische Werkliedenpartij en de Brusselse coöperatie hokten samen in een oude synagoge in de Beierenstraat, maar daar werd het al snel te klein. Daarom kreeg de coöperatie van de partij in 1895 de opdracht om een nieuw volkshuis te bouwen in de hoofdstad. Haar oog viel op een gebogen en hobbelig perceel aan de Joseph Stevensstraat.

De werkliedenpartij zag in de toen 35-jarige architect Victor Horta de geknipte persoon om het Volkshuis te ontwerpen. Met zijn herenhuizen in art nouveau, zoals het Hotel Tassel en Hotel Solvay, had hij duidelijk voor een stijlbreuk met het verleden gezorgd, iets wat de socialisten wel aansprak. Dat Horta nauwe banden onderhield met zijn logebroeder Ernest Solvay, een van de geldschieters van het project, speelde volgens Horta zelf geen enkele rol. Het ging hem puur om de esthetische kwaliteiten van zijn architectuur.

Volkshuis Horta

Paleis voor arbeiders

Victor Horta wilde een paleis voor de arbeiders bouwen, een kathedraal met veel licht en lucht. De eerste spade ging eind 1895 in de grond. Na veel wendingen aan de plannen was het tijdens het paasweekend van 1899 eindelijk zover: het Volkshuis kon feestelijk geopend worden. Op het menu stonden fanfares, kanonschoten en redevoeringen door socialistische kopstukken zoals Emile Vandervelde: 'U bent hier thuis in dit huis, gebouwd door het volk, voor het volk'. Iedereen glom van trots. Net geen 40 jaar later, in 1938, werd het lichaam van Vandervelde na zijn overlijden opgebaard in het café van het Volkshuis. Het pleintje voor het gebouw is naar hem vernoemd.

De gevel van het Volkshuis, die de bocht van het plein volgde, was een kluwen van glas-in-loodramen, ijzeren spanten, balkons en vlaggenmasten. Alle ijzerwerk was felrood geverfd. De klinken, leuningen en balustrades binnenin waren een voor een afgewerkt met gestileerde plantenmotieven, de zogenaamde zweepslagmotieven, de typische decoratievorm van de art nouveau.

‘Het was een iconisch gebouw omdat het heel sterk aangaf wat moderniteit was en waarvoor het gebouw stond, namelijk de sociaal-maatschappelijke ontwikkeling. Doordat het verdwenen is, spreekt het nu nog meer tot de verbeelding,’ zegt professor Linda Van Santvoort, doctor in de Kunstwetenschappen.

De etalages op de benedenverdieping lokten geïnteresseerde kopers naar de coöperatieve winkels. Wie het Volkshuis binnenstapte, stond meteen in het café. Daarboven bevond zich de spektakelzaal voor 3.000 toeschouwers. Hier vonden toespraken, partijbijeenkomsten en toneelopvoeringen plaats. De balkons waren vergroeid met de gietijzeren spanten. Rondom de feestzaal gunden uitgestrekte terrassen de bezoekers een onvergetelijk zicht op Brussel.

Michèle Goslar
Auteur biografie Victor Horta

‘Door het Volkshuis van Horta te laten vernietigen, vernietigde België zijn Eiffeltoren, zijn Vrijheidsbeeld, zijn Zeemeermin, zijn Sagrada Familia…’,

Victor Horta

Na WOII: Afbreken wat in de weg stond

Iedereen tevreden? Toch niet. De socialistische partij, die maar bleef groeien, vond het gebouw al snel te klein. Al in 1911 begonnen zij de terrassen vol te bouwen met extra kantoren. De rode kleuren werden in een neutrale grijstint herschilderd. Het Volkshuis had bij lange niet meer de uitstraling van in het begin. Horta zag het met lede ogen aan en voelde de bui hangen: ‘Indien het, zoals andere van mijn werken, gesloopt zou worden, zou me dat niet verbazen,’ schrijft hij in zijn memoires.

Horta stierf in 1947. Hij zou niet meer meemaken dat de socialisten het Volkshuis in 1963 verlieten en het perceel verkochten aan bouwpromotor Blaton. Die wilde het Volkshuis afbreken en vervangen door een kantoorblok. Maar waarom? ‘Het gebouw was bijna een manifest van een pas opgerichte socialistische beweging in exuberante architectuur. Misschien strookte dat niet meer met het imago en visie op de maatschappij in de jaren 60,’ zegt Van Santvoort. ‘Ik denk dat de partij zich gewoon niet bewust was van de culturele betekenis van die architectuur.’

Bovendien paste de art-nouveaustijl niet meer in de golf van modernisering die Brussel overspoelde. ‘Vanaf het interbellum zie je dat de generatie modernisten zich tegen alles keerden wat uit de 19e eeuw kwam. Er was een soort van tabula rasa die ervoor zorgde dat men dit soort architectuur niet meer kon appreciëren. Alles wat vooroorlogs was, was gestigmatiseerd. In de context van Brussel belandde de stad na de Tweede Wereldoorlog in een sfeer van vernieuwing en sanering, men begon nietsontziend af te breken wat in de weg stond’, zegt Van Santvoort.

Victor Horta

Toch was er ook weerstand. De zevenhonderd architecten die zich uitgerekend in 1964 over het Charter van Venetië bogen, een internationaal aanvaard stelsel van beginselen die vastleggen hoe je goed zorgt voor bouwkundig erfgoed, keurden unaniem een motie goed waarin ze de Belgische regering vriendelijk verzochten ‘alles te redden wat er te redden valt’.

De Vereniging van Belgische Kunstcritici noemden de sloop heiligschennis, temeer omdat andere werken van Horta intussen sterk verbouwd waren of ook afgebroken, zoals het Hôtel Aubecq aan de Louizalaan. Van de socialistische politicus Camille Huysmans kregen ze nul op het rekest: ‘Horta is onze aandacht niet waard. Het Volkshuis is een lamentabele constructie’. Monumentenzorgers waren er nog niet aan toe om gebouwen jonger dan honderd jaar als monument te zien.

Het protest wierp misschien weinig vruchten af voor het Volkshuis zelf, maar het vestigde wel hernieuwde aandacht op het oeuvre van Horta: ‘Na 1964 zag je stilaan de appreciatie voor Horta-architectuur aanwakkeren en vanaf de jaren 70 werden de eerste gebouwen van zijn hand beschermd. Daar heeft de sloop van het Volkshuis zeker voor een keerpunt gezorgd. Men realiseerde zich heel snel dat dat niet had mogen gebeuren’, zegt Van Santvoort.

Bovendien besloot de Belgische overheid een potje van drie miljoen frank vrij te maken om de belangrijkste onderdelen van het Volkshuis te nummeren en te inventariseren met het oog op een heropbouw. Waar of wanneer? Daar kon later nog over gesproken worden.

De sloop begon in 1965 en in 1966 was het Volkshuis voorgoed uit het straatbeeld verdwenen. Hoe erg was dat? ‘Door het Volkshuis van Horta te laten vernietigen, vernietigde België zijn Eiffeltoren, zijn Vrijheidsbeeld, zijn Zeemeermin, zijn Sagrada Familia…’, schrijft Michèle Goslar in haar biografie over Victor Horta. Op de plaats van het Volkshuis verscheen de Blatontoren of Zaveltoren: een 26 verdiepingen tellende kantoortoren.

Victor Horta

In een wei langs de spoorlijn in Jette

Nu het Volkshuis was afgebroken kon er begonnen worden met plannen voor de reconstructie ervan. Of toch niet? Alle bouwstenen werden in een onafgewerkte, betonnen loods bij het Afrikamuseum in Tervuren geparkeerd. En toen gebeurde er niets meer. Alle sporen die naar een heropbouw konden leiden, liepen dood. Intussen schoot het onkruid hoog op en werd er al eens een sierlijk element achterovergedrukt.

Begin jaren 80 pakten zich donkere wolken samen boven de brokstukken van het Volkshuis: het Ministerie van Openbare Werken beval de onmiddellijke opruiming van de de berg stenen en ijzer in Tervuren. Halsoverkop moest een nieuwe bergplaats gevonden worden. Het nog aan te leggen koning Boudewijnpark in Jette kwam in het vizier als nieuwe schuilplaats. Dat kwam goed uit want de stad had plannen om het Volkshuis daar opnieuw op te bouwen.

Zo verhuisden de resten van het Volkshuis naar een drassige weide langs de spoorweg in Jette waar ze onder de blote hemel lagen. Het werd het kerkhof van het Volkshuis. Voor antiquairs en handelaars in oud ijzer werd het een pluktuin waar ze naar hartenlust ornamenten in art nouveau bij elkaar graaiden.

In de zomer van 1983 werd het dieptepunt bereikt. België stond internationaal met de billen bloot toen de politie een ijzerhandelaar op heterdaad betrapte. Hij had minstens 70 ton gietijzeren kolommen, smeedwerk en spanten als oud ijzer verkocht aan Japanse smeltovens voor 2,5 frank per kilogram. ‘The second death of Victor Horta’, blokletterde het magazine The Bulletin. Een heropbouw was nu verder weg dan ooit.

Twaalf vrachtwagens vol ijzer

Uiteindelijk ontfermde het vroegere MIAT uit Gent, nu het Industriemuseum, zich over het 19e eeuwse skelet. Twaalf vrachtwagens vol ijzer en 27 containers bouwstenen werden in 1988 in Gent gelost. Daarmee was de cirkel een beetje rond, aangezien Horta in 1861 in Gent geboren was en er opgroeide.

Voor het eerst kwam er echt schot in de zaak. Het was de periode waarin het Gentse stadsbestuur een geschikte locatie zocht voor het industriemuseum. In eerste instantie werd gekeken naar het Floraliënpaleis in het Citadelpark. Daar was plaats zat en zou de feestzaal van het Volkshuis moeiteloos gereconstrueerd kunnen worden. Uiteindelijk viel de keuze op een Manchestergebouw aan de Minnemeers, de huidige locatie van het industriemuseum. Naast het gebouw was een stuk braakliggend terrein. Maar plannen om er de gevel van het Volkshuis opnieuw op te bouwen, verdwenen wederom in de prullenmand.

Toch kwam het nog tot een tijdelijke heropbouw. Op initiatief van Monumenten en Landschappen werden de gerestaureerde spanten van de feestzaal in 1991 verwerkt in een paviljoen voor de beurs "Flanders Technology". Daarna verdween het Volkshuis weer van de radar. De ijzeren restanten werden bewaard in een loods bij Flanders Expo. De stenen van het Volkshuis werd opgestapeld in een leegstaande textielfabriek in Gentbrugge.

Vandaag zijn we 55 jaar na de sloop van het Volkshuis. Een heropbouw is er nooit van gekomen. Zou het nog kunnen? ‘Als men dat wil, dan doet men dat,’ zegt Van Santvoort. ‘Maar vandaag zien we architectuur en monument als een totaliteit. Niet alles van het Volkshuis is er nog. Je kunt een deel nog heropbouwen, maar het weer monteren van een gevel doet geen recht aan de essentie van de Horta-architectuur, waarbij de band tussen interieur en exterieur zo sterk was.’

Victor Horta

Wat vinden we nog terug van het Volkshuis?

  • De ijzeren spanten uit de feestzaal verhuisden in 1993 van Gent naar Antwerpen, waar ze in 2000 als decorstuk verwerkt werden in het café en de feestzaal van het Grand Café Horta.
  • In het Brusselse premetrostation Horta zijn balustrades uit de feestzaal te zien. Een kilometer verderop, in het Hortamuseum, staat een maquette en 3D-reconstructie van het Volkshuis. Het Hortamuseum is trouwens gevestigd in het voormalige huis en atelier van de architect. Je vindt het terug in Sint-Gillis.
  • Voor de stenen gevelelementen moet je dan weer in het wijkpark De Porre zijn, een herbestemde textielfabriek in Gentbrugge, een deelgemeente van Gent. Bij de heraanleg van de fabriek werden de stenen, die in een depot lagen, van onder het stof gehaald en in 2014 door een landschapsarchitect in het park verwerkt, de zogenaamde Horta-lijn. Op sommige stenen zie je hier en daar nog de nummering staan die bij de sloop werd aangebracht.

En aan het Emile Vanderveldeplein in Brussel? Daar blinkt het Volkshuis uit door afwezigheid.